ποΈ Pagina inhoud.
- π π§ Luister-box (Klik om te horen)
- π 1. Ontwikkeling van de peuter (18 maanden β 4 jaar).
- π 2. Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
- π 3. Categoriseren en standaardiseren van de mens.
- π 4. Positionering OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid
- π π± OrOnDi-Methode Verdieping Levels
π§ Luister-box (Klik om te horen)
π β‘ π Level 01 π Peuterfase | Hulp bij opvoeden van peuters met Hoogbegaafdheid.
π§ Level 01 β De Peuterfase. De ouders herkennen al vroeg dat een kind met Hoogbegaafdheid anders leert en waarneemt dan leeftijdsgenoten. π Dit zorgt vaak voor onterechte onrust bij het consultatiebureau. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid helpt de ouders dit te zien als het startpunt van een unieke, maar volkomen normale ontwikkeling.
π― Een vermeende ontwikkelingsvoorsprong is bij een kind met Hoogbegaafdheid feitelijk een andere manier van zijn. π Het jaarklassensysteem negeert deze vroege cognitieve intensiteit al vanaf achttien maanden. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid herstelt de balans door het kind met Hoogbegaafdheid in de eigen context te plaatsen.
π De OrOnDi-Methode start bij de basis van veilige hechting en autonomie voor het kind met Hoogbegaafdheid. π De ouders vinden hier de handvatten om de vroege exploratiedrang en intensiteit te begeleiden. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid versterkt de Flow-Motivatie vanaf de vroegste jaren.
De Peuter (18 maand t/m 4 jaar) – Zoals de ontwikkelingsstandaard het noemt!
Niet het kind met Hoogbegaafdheid is afwijkend, maar de manier waarop de omgeving reageert op het kind met Hoogbegaafdheid bepaalt of gedrag als passend of problematisch wordt gezien.
De literatuurstudie hieronder dient als referentiepunt om het verschil tussen beide perspectieven zichtbaar te maken.
1. Ontwikkeling van de peuter (18 maanden β 4 jaar).
Het kind, de peuter, is in staat om los te lopen, waarmee een geheel nieuwe en snelle manier bestaat om de wereld te ontdekken. Tegelijkertijd wordt de woordenschat enorm uitgebreid. Immers, alle dingen die het kind tegenkomt in de wereld hebben een naam! Er is dus vooral een enorme cognitieve vooruitgang bij de peuter.
Ook de persoonlijkheidsontwikkeling staat niet stil. De peuter ontdekt dat het zelf iemand is. Hij ontdekt de eigen ik en is hier een tijdlang erg vol van. Dit leidt tot het egocentrisme en tot de zogeheten koppigheidsfase.
Lichamelijke ontwikkeling
De peuterfase doet zijn intrede op het moment dat de peuter zijn eerste stapjes zet. Het leren lopen brengt een enorme bewegingsvrijheid met zich mee, waar het kind dan ook al snel gebruik van maakt. Dit wordt getypeerd als exploratiedrang, drang om de wereld te gaan verkennen.
Kinderen in deze leeftijd hebben een grotere lichamelijke zelfstandigheid. De drang tot onderzoeken en uitproberen wordt steeds groter. Ze spelen als het ware met hun eigen kunnen; evenwicht bewaren, tree voor tree de trap op, ergens opklimmen en iets pakken, deuren openen, sturen en snel bijsturen van het lichaam (Van Keulen et al., 1995; Carr, 1999).
We zien bij de peuter vooral een ontwikkeling van de grove motoriek. Ze kunnen nu tegelijkertijd dingen doen, bijvoorbeeld bukken en een speeltje pakken (Van Keulen et al., 1995). Een ander belangrijk aspect dat te maken heeft met de lichamelijke ontwikkeling van de peuter is het zindelijk worden. Het kind moet het zindelijk worden kunnen, het moet het begrijpen en het moet het willen, voordat er begonnen kan worden met zindelijkheidstraining.
Cognitieve ontwikkeling
De peuter wil de wereld leren kennen. Het ontdekken van de wereld is een noodzaak om uit te kunnen groeien tot een zelfstandig individu. Het denken van de peuter sluit nauw aan bij dit βexploreren van de wereldβ. Het denken wordt voornamelijk bepaald door datgene wat de peuter meemaakt. Het denken van de peuter heeft de volgende kenmerken:
- Het denken van de peuter is nog erg concreet: Het denken richt zich alleen op datgene wat tastbaar is, wat gezien wordt en waar iets meegedaan kan worden.
- Het denken van de peuter is magisch (magie = toverkunst): Een peuter kan geen onderscheidt maken tussen werkelijkheid en fantasie, daardoor gaat hijzelf verklaringen bedenken voor datgene wat hij niet begrijpt. In het denken van de peuter is alles mogelijk.
- Het denken van de peuter is animistisch: Een peuter geeft aan levenloze dingen menselijke eigenschappen.
Taalontwikkeling
De peuter is nog niet in staat logische verbanden aan te brengen. Hij heeft nog geen inzicht in oorzaak en gevolg. Het denken van een kind hangt nauw samen met de taalontwikkeling. De taal ontwikkelt zich in deze fase enorm snel. De actieve woordenschat neemt sterk toe: aanvankelijk tot ongeveer 20 woorden, later tot 500 woorden. Een peuter is in staat tot het maken van twee en drie woordzinnen en gebruikt eenvoudige woordjes. Twee jarige kinderen kennen ongeveer 200 woordjes. Een vierjarige peuter kan al behoorlijk goed samenhangend praten (Tychon, 2004).
- In het stadium van de één-woord-zinnen is de begripsbegrenzing nog erg ruim (alles wat harig is, is een poes). Daarna zijn de begrippen duidelijker gescheiden, maar ze zijn nog gebonden aan externe kenmerken (een poes zegt miauw, een hond woef).
- Aan het eind van deze periode kent de peuter zijn eigen leeftijd en de begrippen morgen en gisteren, maar deze worden nog door elkaar gebruikt.
- Er ontstaat eenvoudige kennis van hoeveelheid (meer, minder, groter, kleiner).
- Het geheugen ontwikkelt zich, de objecten en gebeurtenissen kunnen langer volgehouden worden. Kinderen van 15-17 mnd. kunnen iets wat ze gezien hebben gemiddeld 8 minuten onthouden, terwijl kinderen van 21-24 mnd. dit gemiddeld 17 min. kunnen.
- De peuter denkt nog hardop.
- De twee- tot vierjarige bevindt zich in het pre-conceptionele stadium (Piaget): een eerste symboolgebruik ontstaat. Het kind begint te denken en praten over voorwerpen die niet aanwezig zijn.
2. Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
De peuter gaat langzaam meer sociale contacten leggen. Een peuter is echter nog niet in staat zich in te leven in de ander, sociaal gedrag kan dan ook niet van een peuter verwacht worden. Een peuter bekijkt de wereld alleen vanuit zijn eigen gezichtspunt. De peuter is egocentrisch. Peuters ontdekken dat zij een eigen persoonlijkheid hebben met een eigen wil. Peuters gaan hun wil oefenen en deze in allerlei situaties testen. Peuters worden geconfronteerd met autonomie en afhankelijkheid.
Egocentrisme
Het egocentrisme van de peuter is het gevolg van de ontdekking van het ik. Kinderen ontdekken dat ze een eigen persoonlijkheid hebben met een eigen wil. Bij alles wat de peuter doet, wordt het hem duidelijk dat hij het is die iets doet. Ze willen onafhankelijk van hun ouders worden.
In zijn denken en voelen is geen ruimte voor anderen. Hij kan op verstandelijk niveau nog niet bevatten dat er anderen zijn die eigen gevoelens, eigen gedachten en eigen behoeften hebben. Het is belangrijk dat ouders grenzen stellen en tegelijk ruimte voor zelfstandigheid aan peuters bieden.
Koppigheid
Het feit dat de peuter steeds meer zijn eigen macht ontdekt, brengt ook de ontdekking van de eigen wil met zich mee. De peuter ontdekt dat hij anders kan willen handelen dan anderen. De peuter verzet zich tegen datgene wat de opvoeder wil. Als ze hun zin niet krijgen, kunnen ze heftig reageren door huilen, schreeuwen en agressief gedrag.
Deze periode bevindt zich aan het einde van de peutertijd. De koppigheid komt overigens niet alleen tot de uiting in het verzet van de peuter, maar ook in het feit dat hij alles zΓ©lf wil doen. De koppigheidsfase is voor de wilsontwikkeling van het kind van groot belang. Immers, een peuter experimenteert en oefent met de eigen wil.
Zelf kennis
Zelfkennis hangt samen met veilige hechting. Kinderen die over zelfherkenning beschikken zijn eerder in staat andere kinderen te helpen.
Emotionele ontwikkeling
De peuter is in veel situaties een kind dat sterk emotioneel reageert. Meestal is de oorzaak dat de peuter nog niet goed onder woorden kan brengen wat hij voelt of wilt. Bij de peuters komt het daarnaast ook wel voor dat ze goede bedoelingen hebben met hun gedrag, maar dat ze wat onstuimig te werk gaan.
Op deze leeftijd zijn peuters ook geneigd emoties na te doen van anderen. Peuters weten dat zij emoties kunnen veranderen, door de situatie te veranderen.
Referenties
Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment.Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.
Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.
Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.
Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.
Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlbyβs hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.
Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101 & Deel 2, p. 159-173
Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.
Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.
Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.
Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development
Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.
Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.
Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.
3. Categoriseren en standaardiseren van de mens.
U bent als ouder vast op de hoogte van het feit dat professionals, zoals consultatiebureau en peuterspeelzaal, basisschool, voortgezet onderwijs, psychologen, hulpverleners periodes in het leven van de mens afbakenen. Professionals categoriseren de mens in verschillende lineaire ontwikkelingsfasen: elke periode heeft zijn kenmerkende gedragingen aldus professionals.
- Ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken)
- Zuigeling (0 β 18 maanden)
- Peuterfase (18 maanden β 4 jaar)
- Kleuterfase (4 β 6 jaar)
- Schoolkind (6 β 12 jaar)
- Jongere: puberteit (12 β 16 jaar) en adolescentie (16 β 21 jaar)
OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid onderstreept dat mensbeeld nadrukkelijk niet. Het is echter van belang dat ouders beseffen en weten, dat professionals wel werken met de fictieve lineaire ontwikkelingslijn.
In 1985 werd het basisonderwijs ingevoerd volgens de Wet op het basisonderwijs. Daarmee ging de lagere school over in de huidige basisschool. Tevens werd zittenblijven verboden. Scholen baseren de schoolgids ondanks het verbod, nog steeds op leeftijd en hebben een leerstofjaarklassensysteem!
De fasen van ontwikkeling worden op deze website in aparte pagina’s omschreven aan de hand van het boek ontwikkeling en opvoeding van A. Verhoef (1997) en worden aldaar aangevuld met andere literatuur (per citaat benoemd).
4. Positionering OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid
Binnen de reguliere ontwikkelingspsychologie wordt vaak gewerkt met een fictieve, lineaire ontwikkelingslijn. Deze lijn beschrijft hoe een gemiddeld kind met Hoogbegaafdheid zich zou moeten ontwikkelen: stap voor stap, in vaste volgorde, met voorspelbare mijlpalen.
Dit model op basis van een gemiddelde ontwikkeling is waardevol, maar niet voor een kind met Hoogbegaafdheid.
Wanneer OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid spreekt over een fictieve ontwikkeling, is dat geen oordeel over professionals of hun intenties. Het verwijst uitsluitend naar het model dat zij gebruiken β een theoretisch kader dat niet ontworpen is voor kinderen die anders denken, anders voelen en anders leren.
De term βfictiefβ betekent in dit kader:
- niet universeel toepasbaar,
- niet passend op kinderen met Hoogbegaafdheid,
- het model is een theoretische constructie uitgaande van het gemiddelde,
- geen beschrijving van de werkelijkheid van een kind met Hoogbegaafdheid.
Het is dus geen kritiek op personen, maar een inhoudelijke duiding van het model dat vaak wordt gebruikt in onderwijs en hulpverlening. Voor ouders is het belangrijk om dit te kennen. Veel misverstanden, misdiagnoses en verkeerde interpretaties ontstaan omdat het gedrag van een kind met Hoogbegaafdheid wordt beoordeeld vanuit deze fictieve ontwikkelingslijn.
Het kind lijkt dan βafwijkendβ, terwijl het in werkelijkheid volkomen normaal ontwikkelt binnen zijn eigen contextuele ontwikkelingslijn.
OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid werkt daarom altijd vanuit een ander perspectief: de ontwikkeling van een kind met Hoogbegaafdheid is normaal, maar vraagt om een manier van kijken die recht doet aan de intensiteit, complexiteit en gevoeligheid van dit kind β Γ©n aan de invloed van gezin en school.
Door beide ontwikkelingslijnen naast elkaar te leggen, ontstaat helderheid: niet het kind is het probleem, maar het kader waarmee het kind wordt beoordeeld.