ποΈ Pagina inhoud.
- π π§ Luister-box (Klik om te horen)
- π 1. Ontwikkeling van de puber (12 tot 16 jaar) en adolescent (16 tot 21 jaar).
- π 2. Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
- π 3. Categoriseren en standaardiseren van de mens.
- π 4. Positionering OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid
- π π± OrOnDi-Methode Verdieping Levels
π§ Luister-box (Klik om te horen)
π β‘ π π π° π π Level 01 π Puberfase | Help mijn puber met Hoogbegaafdheid.
π§ Level 01 β De Puberfase. Tips over puberteit werken bij Hoogbegaafdheid vaak averechts. π Intensiteit en rechtvaardigheidsgevoel worden door de omgeving vaak aangezien voor opstandigheid. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid herkent de emotionele diepgang van de adolescent als een krachtige signatuur, niet als een probleem.
π― Het label puber en de bijbehorende opvoedingsadviezen zijn vaak niet van toepassing op een kind met Hoogbegaafdheid. π Deze standaardtips werken voor de ouders vaak contraproductief. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid ziet deze periode als een normale ontwikkeling binnen een dynamiek van cognitieve complexiteit.
π De OrOnDi-Methode erkent dat niet een kind met Hoogbegaafdheid afwijkend is, maar de reactie van de omgeving. π Autonomie en rechtvaardigheid beΓ―nvloeden de ontwikkeling van de adolescent voortdurend. β OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid herstelt de verbinding door gedrag als passend te duiden binnen de werkelijke context.
Als een kind met Hoogbegaafdheid ouder is dan 12 jaar, wordt er ineens over puberteit gesproken. Het label ‘puber’ en alle opvoedingsadvies over puberteit zijn niet van toepassing op uw kind met Hoogbegaafdheid. In veel gevallen werken de tips en het concept ‘puber’ contraproductief voor u als ouder. Heel normaal!
OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid ziet de periode ouder dan 12 jaar van een kind met Hoogbegaafdheid als een normale ontwikkeling, maar dan binnen een andere dynamiek: een dynamiek waarin intensiteit, autonomie, rechtvaardigheidsgevoel, cognitieve complexiteit en emotionele diepgang elkaar voortdurend beΓ―nvloeden.
De Puber (12 tot 16 jaar) &De Adolescent (16 tot 21 jaar). – Zoals de ontwikkelingsstandaard het noemt!
Niet het kind met Hoogbegaafdheid is afwijkend, maar de manier waarop de omgeving reageert op het kind met Hoogbegaafdheid bepaalt of gedrag als passend of problematisch wordt gezien.
De literatuurstudie hieronder dient als referentiepunt om het verschil tussen beide perspectieven zichtbaar te maken.
1. Ontwikkeling van de puber (12 tot 16 jaar) en adolescent (16 tot 21 jaar).
Ontwikkeling van de puber
In de fase van de puberteit vallen vooral de lichamelijke veranderingen sterk op. Onder invloed van hormonen verandert het meisje in een jonge vrouw en de jongen in een jonge man. Er is echter niet alleen sprake van lichamelijke volwassenwording, ook in psychosociaal opzicht wordt de puber meer volwassen.
Er is sprake van een losmakingsproces, als ook van een individuatieproces: het gaat om het ontwikkelen van de eigen identiteit. Veel van de individuele persoonlijkheidskenmerken die in de kindertijd worden ontwikkeld houden stand in de adolescentie en volwassenheid.
Ontwikkeling van de adolescent
In de fase van de adolescentie zien we dat de lichamelijke volwassenwording wordt voltooid. De psychosociale veranderingen daarentegen zetten zich verder voort. Veel adolescenten verlaten het ouderlijk huis. Er worden stappen gezet in de richting van meer definitieve keuzes: er is sprake van beroepskeuze of studiekeuze, men krijgt een meer of mindere vaste relatie.
Lichamelijke ontwikkeling
Tot aan de adolescentie is de groei van jongens en meisjes vergelijkbaar. Wanneer jongeren de adolescenten leeftijd bereiken ontstaat er een verschil tussen jongens en meisjes. Bij meisjes komt de groeispurt één tot twee jaar eerder opgang.
Bij jongens is er dan vooral sprake van sneller groeien, het ontwikkelen van spieren en het ontwikkelen van bredere schouders. Meisjes krijgen bredere heupen en meer lichaamsvet (Carr, 1999). De puber groeit ongeveer 10 centimeter per jaar. Dit heeft tot gevolg dat een puber tijdelijk behoorlijk onhandig kan zijn op motorisch vlak. Hij groeit zo snel dat hij zelf zijn nieuwe lichaam niet kan βbijbenenβ.
Ook gevoelsmatig wordt de puber vaak door veranderingen overdonderd. Hij weet niet goed hoe om te gaan met de tegenstrijdigheid: je nog kind voelen en eruitzien als een volwassene.
Seksuele rijping
De puber groeit niet alleen in lengte en in gewicht, maar hij groeit ook uit tot een volwassenen die zich kan voortplanten. We spreken van seksuele rijping. Voor een jongen houdt de seksuele rijping onder andere in: productie van sperma, groei van de penis en groei van het schaamhaar.
Voor een meisje houdt de seksuele rijping onder andere in: ontwikkeling van de borsten, groei van de eierstokken en het op gang komen van de menstruatie. Nogal eens schaamt een puber zich voor zijn of haar veranderende lichaam of hij/zij maakt zich zorgen.
Deze schaamte en deze zorgen kunnen worden versterkt wanneer de puber tot de erg vroege of erg late rijpers behoort, maar ook βnormaleβ menselijke verschillen kunnen problemen geven. Een puber die qua lengte, lichaamsbouw, huidconditie of lichamelijke prestaties afwijkt van leeftijdsgenoten kan zich erg ellendig voelen.
Het gaat hierbij niet om objectieve maatstaven, maar om de beleving van de jongere.
Cognitieve ontwikkeling
Op de leeftijd van 12 Γ‘ 13 jaar wordt het βbasisschooltijdperkβ afgesloten. Er wordt een keuze gemaakt voor een bepaalde school voor voortgezet onderwijs. De puber krijgt op de nieuwe school te maken met een nieuwe schoolsituatie, een andere manier van leven en veel nieuwe vakken.
De overgang naar de nieuwe school valt echter vaak niet mee. Daarnaast neemt de interesse in het gestructureerd leren af. De puber is met andere zaken bezig, vooral ook met zichzelf. De puber is meer geΓ―nteresseerd in het leren van anderen: van leeftijdsgenoten.
Het denken van de puber en de adolescent
Kijken we naar het denken van de puber en de adolescent dan zien we dat er sprake is van abstract en kritisch denken. Volgens Piaget is hiermee de cognitieve ontwikkeling afgesloten, dit gebeurt over het algemeen na het elfde levensjaar. Het vermogen om abstract te denken komt de puber op school goed van pas.
De puber gebruikt het vermogen tot abstract denken echter ook in het contact met leeftijdsgenoten en in het nadenken over onderwerpen als oorlog, milieuvervuiling en goed en kwaad. Tezamen met de kritische houding van de puber leidt dit nadenken en praten vaak tot forse kritiek op de bestaande maatschappij.
Het kritische denken van de puber is ook gericht op de ouders. Veel van wat de ouders vinden en doen en wat vroeger vanzelfsprekend was, wordt in twijfel getrokken. De puber neemt afstand van de normen en waarden van het gezin. Het kritische denken van de puber is eveneens gericht op zichzelf. Met name het uiterlijk en de lichamelijke veranderingen worden zeer kritisch bekeken.
Omdat de puber veel met zichzelf bezig is, leidt dit nogal eens tot egocentriciteit. Het reflectieve denken ontwikkelt zich. Dit kan leiden tot gevoelens van depressie en ontevredenheid ten gevolge van het bewust worden van een verschil tussen hoe het is en hoe het zou moeten zijn. (Kohnstamm, 1987).
Ook bij adolescenten zien we het abstracte en kritische denken terug. Het denken van de adolescent richt zich veelal op gevestigde, vaststaande waarden, normen en ideeΓ«n. Waar de puber niet verder komt dan kritiek, en blijft steken in het overnemen van ideeΓ«n van anderen of in het afzetten tegen de ouders, ontwikkelt de adolescent meer eigen, nieuwe ideeΓ«n. Hij ontwikkelt zijn eigen visie op het gebied van religie, politiek, economie of milieu.
Ook bij een adolescent zien we dat hij het kritische denken op zichzelf richt. Er is sprake van zelfreflectie, die leidt tot zelfbeoordeling en zelfkritiek. Hieruit blijkt duidelijk dat het denken van de jongere een duidelijke functie heeft voor de ontwikkeling van de identiteit.
2. Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
Losmakingsproces
Wat betreft de sociale ontwikkeling kenmerkt de jongere zich door een losmakingsproces. De jongere wil:
- Zelfstandig zijn,
- Zijn eigen beslissingen nemen,
- Verantwoordelijkheid dragen,
- Meer dan vroeger zijn tijd buitenshuis doorbrengen.
Dit losmakingsproces kan gepaard gaan met conflicten tussen ouders en pubers. Ouders hebben er emotioneel gezien moeite mee hun kind los te laten. Daarnaast kunnen zij moeite hebben met de kritische houding van de puber ten opzichte van hen.
Alle kinderen van verschillende leeftijden kunnen droevig zijn, maar het gevoel van extreme droevigheid die samen kan gaan met depressie en somatische bijverschijnselen kunnen sterk naar boven komen bij adolescenten (Carr, 1999).
De groep leeftijdsgenoten
We zien bij de puber dat tegelijkertijd met het losser worden van de contacten met de ouders, de contacten met de eigen leeftijdsgenoten meer diepgaand worden. De jongere maken deel uit van een zogeheten peer group: een groep leeftijdsgenoten.
De groep leeftijdsgenoten biedt de jongere zekerheid, steun en veiligheid. Voor de jongere is het erg belangrijk dat hij door zijn vrienden wordt geaccepteerd. Daarom conformeert hij zich aan de normen, rages en modes die in de groep gelden. De puber past zich aan, aan wat hoort. Het is belangrijk te weten dat van het conformisme ook een grote druk uitgaat: de puber moet erbij horen, hij moet zich aanpassen.
Een jongere ontleent dus zijn gevoel van eigenwaarde in belangrijke mate aan het al dan niet bij een groep horen. De leeftijdsgroep heeft echter ook andere functies. De groep is namelijk ook bij uitstek de plaats waar de jongere met gedrag kan experimenteren.
In de groep leeftijdsgenoten oriΓ«nteert de jongere zich ook op andere normen en waarden. Er wordt gediscussieerd over waar grenzen liggen, wat wel en niet toelaatbaar is, of zou moeten zijn. Vaak ontwikkelen zich daarbij bepaalde groepsnormen.
Antisociaal en crimineel gedrag
In de leeftijdsfase van de puber en de adolescent komt delinquentie veelvuldig voor. Meestal is dit gedrag van voorbijgaande aard.
Vriendschappen en verliefdheden
Naast het deel uitmaken van een groep leeftijdsgenoten, heeft een jongere ook behoefte aan één of meer speciale vrienden of vriendinnen. Bij deze vriendschappen hebben meisjes onderling meer diepgaand contact dan jongens onderling. Meisjes zijn op emotioneel gebied vaak meer op elkaar afgestemd, ook zijn ze meer gericht op wederzijdse steun en aanmoediging.
Jongens daarentegen zijn in hun vriendschap vaak meer gericht op het doen van gezamenlijke activiteiten. Verliefdheden komen in deze leeftijdsfase veel voor. Vaak zijn deze verliefdheden hevig, maar van korte duur.
Seksuele ontwikkeling
De vele lichamelijke veranderingen die tijdens de puberteitsfase optreden brengen ook nieuwe seksuele gevoelens met zich mee. Deze gevoelens kunnen de puber in verwarring brengen. Wat betreft de seksuele ontwikkeling in deze fase wordt wel gesproken van de genitale fase.
In deze fase zien we een duidelijk verschil tussen jongens en meisjes. Meisjes zijn eerder geslachtsrijp dan jongens. Meisjes hebben daarnaast meer romantische fantasieΓ«n, terwijl jongens meer seksuele fantasieΓ«n hebben. 17 miljoen (73%) van alle jongeren tussen de 12 en 17 jaar maken gebruik van het internet.
Het internet wordt gebruikt voor allerlei doeleinden: informatie zoeken, maar vooral ook voor het in contact komen met leeftijdsgenoten. Internet speelt een steeds belangrijkere rol in de ontwikkeling van de eigen identiteit en seksualiteit van jongeren.
Het biedt een laagdrempelige en anonieme omgeving om te experimenteren met gedrag. Het geeft de jongere de mogelijkheid om zich te uiten en openlijk te communiceren over hun zorgen. Jongeren maken vooral veel gebruik van online chat-rooms waardoor ze makkelijk in contact komen met leeftijdsgenoten (Subrahmanyam, Greenfield & Tynes, 2004).
Referenties
Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment.Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.
Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.
Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.
Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.
Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlbyβs hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.
Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101 & Deel 2, p. 159-173
Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.
Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.
Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.
Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development
Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.
Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.
Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.
3. Categoriseren en standaardiseren van de mens.
U bent als ouder vast op de hoogte van het feit dat professionals, zoals consultatiebureau en peuterspeelzaal, basisschool, voortgezet onderwijs, psychologen, hulpverleners periodes in het leven van de mens afbakenen. Professionals categoriseren de mens in verschillende lineaire ontwikkelingsfasen: elke periode heeft zijn kenmerkende gedragingen aldus professionals.
- Ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken)
- Zuigeling (0 β 18 maanden)
- Peuterfase (18 maanden β 4 jaar)
- Kleuterfase (4 β 6 jaar)
- Schoolkind (6 β 12 jaar)
- Jongere: puberteit (12 β 16 jaar) en adolescentie (16 β 21 jaar)
OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid onderstreept dat mensbeeld nadrukkelijk niet. Het is echter van belang dat ouders beseffen en weten, dat professionals wel werken met de fictieve lineaire ontwikkelingslijn.
In 1985 werd het basisonderwijs ingevoerd volgens de Wet op het basisonderwijs. Daarmee ging de lagere school over in de huidige basisschool. Tevens werd zittenblijven verboden. Scholen baseren de schoolgids ondanks het verbod, nog steeds op leeftijd en hebben een leerstofjaarklassensysteem!
De fasen van ontwikkeling worden op deze website in aparte pagina’s omschreven aan de hand van het boek ontwikkeling en opvoeding van A. Verhoef (1997) en worden aldaar aangevuld met andere literatuur (per citaat benoemd).
4. Positionering OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid
Binnen de reguliere ontwikkelingspsychologie wordt vaak gewerkt met een fictieve, lineaire ontwikkelingslijn. Deze lijn beschrijft hoe een gemiddeld kind met Hoogbegaafdheid zich zou moeten ontwikkelen: stap voor stap, in vaste volgorde, met voorspelbare mijlpalen.
Dit model op basis van een gemiddelde ontwikkeling is waardevol, maar niet voor een kind met Hoogbegaafdheid.
Wanneer OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid spreekt over een fictieve ontwikkeling, is dat geen oordeel over professionals of hun intenties. Het verwijst uitsluitend naar het model dat zij gebruiken β een theoretisch kader dat niet ontworpen is voor kinderen die anders denken, anders voelen en anders leren.
De term βfictiefβ betekent in dit kader:
- niet universeel toepasbaar,
- niet passend op kinderen met Hoogbegaafdheid,
- het model is een theoretische constructie uitgaande van het gemiddelde,
- geen beschrijving van de werkelijkheid van een kind met Hoogbegaafdheid.
Het is dus geen kritiek op personen, maar een inhoudelijke duiding van het model dat vaak wordt gebruikt in onderwijs en hulpverlening. Voor ouders is het belangrijk om dit te kennen. Veel misverstanden, misdiagnoses en verkeerde interpretaties ontstaan omdat het gedrag van een kind met Hoogbegaafdheid wordt beoordeeld vanuit deze fictieve ontwikkelingslijn.
Het kind lijkt dan βafwijkendβ, terwijl het in werkelijkheid volkomen normaal ontwikkelt binnen zijn eigen contextuele ontwikkelingslijn.
OrOnDi Praktijk voor Hoogbegaafdheid werkt daarom altijd vanuit een ander perspectief: de ontwikkeling van een kind met Hoogbegaafdheid is normaal, maar vraagt om een manier van kijken die recht doet aan de intensiteit, complexiteit en gevoeligheid van dit kind β Γ©n aan de invloed van gezin en school.
Door beide ontwikkelingslijnen naast elkaar te leggen, ontstaat helderheid: niet het kind is het probleem, maar het kader waarmee het kind wordt beoordeeld.